
Waarom worden sommige vrouwen na een infectie langdurig ziek, terwijl anderen herstellen? En wat maakt ME/CVS zo moeilijk te diagnosticeren? Een van de grote problemen is dat er nog geen betrouwbare biomarker bestaat, een meetbare aanwijzing in het bloed die de diagnose kan bevestigen. Onderzoekers zoeken daarom naar nieuwe sporen.
In deze studie, waarbij uitsluitend vrouwen betrokken waren, richtten ze zich op extracellulaire vesikels: piepkleine blaasjes die door cellen worden afgescheiden en door het bloed reizen. Ze fungeren als boodschappers tussen cellen en bevatten informatie in de vorm van eiwitten en kleine stukjes genetisch materiaal, miRNA genaamd.
De vraag was: ziet dat er bij vrouwen met ME/CVS anders uit dan bij gezonde vrouwen, en zouden die verschillen ooit kunnen dienen als diagnostisch hulpmiddel?
Er is nog weinig bekend over het ziekteverwekkende mechanisme achter ME/CVS. Vermoedelijk spelen verstoringen in het immuunsysteem, het zenuwstelsel, de bloedvaten en de stofwisseling een rol. Dat er veel variatie is in symptomen en in de ernst ervan, en in bijkomende aandoeningen, maakt onderzoek complexer. Onderzoek zal zich moeten richten op de wisselwerking tussen biologische systemen tegelijk bekijken in plaats van op slechts één oorzakelijke factor.
De diagnose wordt momenteel gesteld op basis van klinische criteria, omdat er nog geen betrouwbare biomarkers gevonden zijn.
Recent is er toenemende interesse in extracellulaire vesikels (EV’s): kleine blaasjes in lichaamsvloeistoffen die stoffen zoals eiwitten en RNA (waaronder miRNA) vervoeren en betrokken zijn bij communicatie tussen cellen en ontstekingsprocessen. Onderzoek toont aan dat ME/CVS-patiënten afwijkende EV-profielen hebben, waaronder hogere aantallen EV’s en veranderingen in hun eiwit- en cytokine-inhoud. Ook blijken inspanningstesten (maximale fysieke inspanning) bij ME/CVS andere veranderingen in EV-eiwitten te veroorzaken dan bij gezonde personen, mogelijk gerelateerd aan PEM. Daarnaast zijn specifieke miRNA-patronen gevonden die verband houden met ziekte-ernst.
Hoewel deze resultaten veelbelovend zijn, is er nog geen unieke en gevalideerde biomarker voor postinfectieuze ME/CVS. Het doel van deze studie is daarom om eiwit- en miRNA-markers in EV’s uit bloedplasma van postinfectieuze ME/CVS-patiënten te identificeren en te bevestigen, en ook te vergelijken tussen ME/CVS na COVID-19 en ME/CVS met andere triggers. Deze mogelijke biomarkers zouden in de toekomst kunnen bijdragen aan betere diagnostiek.
Onderzoeksgroep
Voor de studie naar EV’s zijn er drie onderzoeksgroepen (uitsluitend vrouwen) meegenomen:
- 11 met post-COVID ME/CVS (pcME/CVS)
- 8 met postinfectieuze ME/CVS (piME/CVS)
- 10 gezonde controles die COVID hebben gehad (pcHC)
Voor de studie naar miRNA zijn er twee onderzoeksgroepen meegenomen, ook uitsluitend vrouwen:
- 12 pcME/CVS
- 15 pcHC
Resultaten
EV’s
De grootte en vorm van de EV’s waren vrijwel hetzelfde tussen patiënten en gezonde controles, evenals het aantal. De inhoud van de EV’s is mogelijk belangrijker dan de EV’s zelf.
Er werden verschillende eiwitten gevonden die anders aanwezig waren bij de ME/CVS patiënten dan bij de gezonde controlegroep, maar daarbij bleek ook een verschil tussen de post-COVID ME/CVS en postinfectieuze ME/CVS groep. Bij de post-COVID groep waren eiwitten verandert die vooral lijken te wijzen op een verstoring van het immuun- en stollingssysteem, terwijl in de postinfectieuze groep aanwijzing is voor problemen met zuurstoftransport en energievoorziening. Deze bevindingen suggereren dat ME/CVS geen uniforme ziekte is, maar verschillende subtypes heeft (mogelijk afhankelijk van de trigger).
De resultaten konden echter niet geheel bevestigd worden in vervolgtesten. Mogelijk zijn eiwitten minder stabiele biomarkers, of de onderzoeksgroep was te klein.
miRNA
Meerdere miRNA’s verschilden tussen de patiënten en controles, maar meestal met een klein effect of niet consistent. Er was echter één miRNA (hsa-let-7b-5p) die wel duidelijker naar voren kwam omdat het sterk verlaagd was bij de ME/CVS patiënten, in allebei de groepen en werd bevestigd in vervolgmetingen. Daarnaast bleek er ook een verband tussen dit miRNA en de ernst van de symptomen/ziekte.
Conclusie
- De EV’s zelf zijn vergelijkbaar tussen groepen, inhoud lijkt belangrijker.
- Er zijn verschillen in eiwitten, maar die lijken afhankelijk van het type ME/CVS.
- miRNA is wellicht een consistentere marker, waarbij hsa-let-7b-5p als mogelijk belangrijke marker naar voren komt.
- Resultaten wijzen op:
- immuunverstoring
- problemen met bloedstolling
- verstoring in energie/zuurstofsystemen
- ME/CFS lijkt geen uniforme ziekte, maar een multidysteenziekte met meerdere subtypes
De resultaten van deze studie waren niet altijd consistent; de verschillen waren klein, niet altijd meer aanwezig bij herhaling en er was grote variatie tussen patiënten. Dit werd mogelijk veroorzaakt door de kleine steekproef, verschillen in ziekteduur en verschillen tussen de patiënten. Desondanks geeft deze studie aanleiding tot vervolgonderzoek met grotere steekproeven, wat kan leiden tot beter inzicht in ME/CVS, identificeren van verschillende subtypes en betere diagnoses.
Samenvatting voor Vrouw met ME door M
Afbeelding: Pixabay